Woorden en begrippen uit de astronomie


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A

Adiabatenstelling van Ehrenfest
Bij een oneindig langzame wijziging van de samenhang van een stelsel veranderen de quantumgetallen en ook het aantal termen van dit stelsel niet.
Albedo
Het lichtweerkaatsend vermogen van het oppervlak van een lichaam, bijvoorbeeld van een planeet of planetoïde. Het albedo is 1 als ál het licht wordt weerkaatst (het is dus een volmaakte spiegel) en 0 als er totaal geen licht wordt weerkaatst (volmaakt zwart).

B

Bohr, Atoommodel van
Model waarin de elektronen om de atoomkern draaien, zoals een satelliet rond de Aarde. De ruimte tussen de elektronen en de kern is geheel leeg en de kern neemt globaal slechts 1/1000 van de afmeting van het atoom in. De krachten tussen de elektronen en de kern zijn van elektrische aard. De kern bezit precies evenveel positieve ladingen als de elektronen samen negatieve ladingen hebben, zodat het geheel zich neutraal voordoet.
Bohrmagneton
Eenheid van magnetisch moment: eh/4pme
Elke elektron die om een kern draait, veroorzaakt als het ware een zwakke stroom, die op zijn beurt magnetisme opwekt.
Dit is de rechtstreekse illustratie van de mening over de elementaire magneetdeeltjes, waaruit men vroeger dacht, dat magnetisch materiaal en staal opgebouwd was. Een opvatting die geheel acceptabel blijkt, al gaat het niet om een echt magnetisch deeltje.
In de formule betekent e de lading van de elektron, h de constante van Planck en me de rustmassa van de elektron.
Boltzmannconstante
Universele atomaire proportionaliteitsfactor, gebruikt bij de bepaling van de entropie met behulp van statistische berekeningen. Door Max Planck naar Boltzmann vernoemd.
Boltzmannverdeling
Verdeling van de moleculen van hun gas volgens hun totale energie.
De Boltzmannverdeling is een veralgemening van de Maxwellverdeling, die alleen de snelheden van de moleculen beschouwde en wordt daarom ook wel de Maxwell-Boltzmanverdeling genoemd. Zij werd uitgewerkt in verband met de kinetische gastheorie en veronderstelt een ideaal gas bij kleine dichtheid en voldoende hoge temperatuur, zodat de verschillende deeltjes geen merkbare werking op elkaar hebben, en dat in thermisch evenwicht is en dus een bepaalde temperatuur heeft. Boltzmann beschouwde niet alleen de snelheidsverdeling zoals Maxwell, maar ook de rotatie- en vibratietoestanden en toonde aan dat de verdeling over de verschillende toestanden volledig bepaald is door de totale energie, dat wil zeggen zowel de kinetische energie als de potentiële energie, van de molecule in de toestand waarin zij zich bevindt.
Boltzmannvergelijking
Vergelijking die de verdeling van de moleculen van een gas geeft dat niet in evenwicht is.
In dit geval zijn de dichtheid en de temperatuur op een bepaalde plaats in het gas niet gelijk is aan die op andere plaatsen in dit gas. Hierdoor ontstaan stromingen van moleculen van plaatsen met hogere met hogere dichtheid en temperatuur, met de daarmee gepaard gaande botsingen en uitwisselingen van snelheden. Dit geeft een verandering, functie van de tijd, van de verdeling van de moleculen op de beschouwde plaats.
Boltzmann, De Wet of Statistiek van
Statistische wet die beschrijft op welke manier bepaalde fysische systemen zich over de verschillende toestanden verdelen, waarin zij zich kunnen bevinden als zij bij een bepaalde temperatuur in thermisch evenwicht verkeren.

C

Cassini, Scheiding van
Splitsing van de ring van Saturnus in 2 concentrische ringen, ontdekt door J.D. Cassini in 1675.
De buitenste ring is smaller en minder helder dan de binnenste. Het buitenste deel van de binnenring is het helderst van het hele ringensysteem.
Cassiopeia
Sterrenbeeld in de buurt van de Noordpool, te vinden tegenover de Grote Beer.
Het bestaat uit een dertigtal sterren, die met het blote oog te zien zijn.
In dit sterrenbeeld werd op 15 november 1572 tijdelijk een ster zichtbaar, beschreven door Tycho Brahe. Twee andere werden gezien in 945 en 1260.

D

E

Ecliptica
De denkbeeldige baan waarlangs de Zon beweegt tegen de sterrenhemel in de loop van een jaar.
Langs deze baan vind je de 12 tekens van de dierenriem. En tevens bewegen alle planeten zich in de buurt van de ecliptica.
Komeet van Encke
Van alle periodieke kometen heeft deze de kortste omlooptijd, 3 jaar en 115 dagen. In 1818 berekende J.F. Encke de loopbaan van een komeet die door Pons (Marseille) was ontdekt. Een sudie van de beweging van de komeet bij haar periheliumdoorgang leidde Encke tot het besluit, dat de omwentelingsduur van de komeet om de zon langzaam afneemt. Uit onderzoek van de helderheidsvermindering blijkt, dat de komeet rond 2000 haar activiteit verloren zal hebben.

F

G

Galileaanse satellieten
De vier door Galilei ontdekte heldere manen van de planeet Jupiter, nl. Io, Europa, Callisto en Ganymedes.
Galilei
Heldere, alleenliggende maankrater nabij de oostrand van de Oceaan der Stormen; diameter 15 km, binnendiepte 2000 m, buitenhoogte 300 m.
Grimaldi
Grote walvlakte op de Maan met zeer donkere bodem, die zich nabij de oostelijke maanrand bevindt. De wand vormt geen aaneengesloten geheel, het zijn eerder losstaande bergen om de walvlakte.

H

Halley, Komeet van
Genoemd naar E. Halley.
Periodiek terugkerende komeet, waarvan de baanexcentriciteit 0,96728 bedraagt. De laatste periheliumdoorgang heeft in 1986 plaatsgevonden.
Heliocentrische model
Aan het stelsel van Copernicus gaat een lange voorgeschiedenis vooraf. De Pythagoreeërs waren al op de hoogte van het draaien van de Aarde, van de Zon als middelpunt van het wereldbeeld en van de beweging van de planeten rondom de Zon. Later berustte de sterrenkunde op het stelsel van Ptolemeus, waarin de Aarde het onbeweeglijke middelpunt van het heelal zou zijn.
Omdat Copernicus dit te ingewikkeld vond, ging hij naar een eenvoudiger verklaring op zoek. De draaiïng van de Aarde maakte een gezamenlijke dagelijkse beweging van alle hemellichamen overbodig. Het toekennen van een beweging aan de aardas verklaarde bovendien de precessie van lente- en herfstpunt. Hiermee werd de helft van de cirkels overbodig, die volgens Ptolemeus de bewegingen aan de hemel verklaarde.
Verdere vereenvoudiging verkreeg Copernicus door de Zon als middelpunt van de planetenbeweging te beschouwen en door aan te nemen dat ook de Aarde om de Zon draait, daarbij de Maan in zijn baan om de Aarde meevoerend.
Bij toetsing aan de werkelijkheid kon Copernicus aantonen, dat dit op veel eenvoudiger wijze alle waargenomen verschijnselen verklaarde.
Maar zoals elke nieuwe gedachte ondervond die van Copernicus hevige tegenstand.
Pas toen Galileï in 1610 met een kijker de door Copernicus voorspelde fases van Venus waarnam werd de tegenstand opgeheven.
Toch was het stelsel van Copernicus, gemeten naar de huidige maatstaven verre van eenvoudig. Omdat hij vasthield aan de gedachte dat alles in het heelal perfect moest zijn (een eenparige cirkelbeweging) had hij per hemellichaam gemiddeld nog ca. 5 cirkels nodig om alle waarnemingen te kunnen verklaren.
Sinds Kepler en Newton kan men met 1 ellips volstaan.
(zie ook Kosmologie)
Huygens-oculair
Microscoop- en verrekijkeroculair met vergroot gezichtsveld.
In het Huygens-oculair is een extra lens aangebracht, de veld- of collectieflens, die het beeld dat door het objectief wordt ontworpen, verkleind in het brandvlak van de ooglens van het oculair weergeeft. Hierdoor wordt weliswaar het beeld van het object kleiner, maar het gezichtsveld groter. Het verlies aan vergroting kan door een sterk gekromde ooglens worden gecompenseerd. Ter plaatse van het door de veldlens gegeven beeld bevindt zich een ring, het gezichtsvelddiafragma, dat het gezichtsveld scherp begrenst.

I

J

K

Kepler, Wetten van
Wetten die de belangrijkste eigenschappen van de bewegingen van de planeten om de Zon vastleggen
  1. Iedere planeet beweegt in een ellipsvormige beweging om de Zon, die in één van de brandpunten staat
  2. De voerstraal Zon-planeet beschrijft in gelijke tijdsintervallen sectoren van gelijke oppervlakte (Perkenwet)
  3. De kwadraten van de omlooptijden van de planeten verhouden zich als de derde macht van hun afstanden tot de Zon
Kuipergordel
Met de Oortwolk kunnen we goed het verschijnen van kometen met een lange periode verklaren, maar dit is lastiger voor de zogenoemde kortperiodieke kometen, speciaal de groep kometen met een omlooptijd van minder dan 20 jaar (de zogeheten 'Jupiterfamilie'). Een eigenschap van die kometen is hun geringe baanhelling (minder dan 30º). Dat is lastig te verklaren, uitgaande van een bolvormige Oortwolk. Dit bracht in 1951 Gerard Kuiper er toe een tweede kometenreservoir buiten de baan van Neptunus aan te nemen: in deze 'Kuipergordel' bevinden zich objecten in een platte schijf, in banen met geringe inclinatie ten opzichte van de ecliptica, waarvan sommige leden door een accumulatie van planeetstoringen steeds verder in de binnengebieden van het zonnestelsel doordringen waardoor ze in de Jupiterfamilie terecht kunnen komen.

L

Lorentzcontractie
Hypothese die in 1892 bijna gelijktijdig door Lorentz en Fitzgerald werd opgesteld om het falen van de proef van Michelson te verklaren: Elk t.o.v. een vergelijkingsstelsel bewegend lichaam ondergaat t.o.v. dit stelsel een samentrekking die met de snelheid evenwijdig is. (De theorie van Einstein bevestigde deze hypothese)
Lorentzkracht
Kracht die wordt uitgeoefend op een element dat elektrische stroom voert en in een magnetisch veld is geplaatst.

M

Maxwell, Theorie van
Theorie die de electromagnetische verschijnselen beschrijft. Deze zijn te beschrijven door de electrische veldsterkte E, de magnetische inductie B, de magnetische veldsterkte H en de diëlectrische verplaatsing D. Reeds lang waren verschijnselen bekend die wezen op relaties tussen de electrische en de magnetische grootheden. Een verandering van het magnetisch veld in een spoel geeft aanleiding tot een electrische stroom. Omgekeerd veroorzaakt stroom in een spoel een magnetisch veld. Maxwell slaagde erin die verschijnselen onder één noemer te brengen.
De vergelijkingen werden opgesteld vanuit een vergelijking met de mechanica. Hierbij moest een tussenstof worden gepostuleerd, die ether werd genoemd. Die heeft de volgende eigenschappen: de ether is overal aanwezig en kan worden beschouwd als een samendrukbare tussenstof; de ether kan zich vrij verplaatsen in geleiders, terwijl in isolatoren de ether aan die stof gebonden is. De verplaatsing van de ether in een isolator heeft krachten tot gevolg die geïnterpreteerd kunnen worden als potentiaalverschillen.
De ether kan in de experimenten van Michelson en Morley niet aangetoond worden. Daarom kan de lege ruimte als drager van het electromagnetische veld worden beschouwd. Met het veldbegrip is men nu zo vertrouwd geraakt dat een mechanische interpretatie als veel moeilijker wordt ervaren.

N

O

Oortwolk
Op zeer grote afstand van de Zon (tot 50000 AE, ofwel tot bijna 10 lichtmaanden!) bevindt zich, in een bolschil verdeeld, een grote verzameling kometen: in de orde van 100 miljard! Deze kometen zijn veel te lichtzwak voor welke telescoop dan ook, maar dit is de uitkomst van een model dat rond 1950 is opgesteld door Jan Hendrik Oort. Zijn model is sindsdien door waarnemingen van veel kometen bevestigd. Deze verzameling kometen is daarom bekend als de 'kometenwolk van Oort'.
Zo nu en dan zal ten gevolge van storingen door de massa van ons Melkwegstelsel, of door een dichtbij passerende ster, een komeet een zodanige baan krijgen dat hij terecht komt in de binnengebieden van het zonnestelsel; alleen zo kan hij korte tijd voor aardse waarnemers zichtbaar worden.
Oppositie
Stand van twee hemellichamen (gewoonlijk de Maan, een planeet, een planetoïde, een komeet en de Zon) die vanaf de Aarde gezien 180º in lengte verschillen. Zij staan dan dus tegenover elkaar aan de hemel. Rond de oppositiedatum zijn planeten en planetoïden meestal het beste waar te nemen.
Een binnenplaneet (Mercurius of Venus) kan niet in oppositie met de Zon komen.

P

Ptolemeus, Stelsel van
Het model dat Ptolemeus publiceerde in zijn Almagest. Het beschrijft dat de Aarde het middelpunt van het heelal is. De Zon, de Maan en alle planeten en sterren draaien daarbij in cirkelbanen om de Aarde. Om alle waargenomen bewegingen te verklaren, moest hij gebruik maken van zogenaamde epicykels. (zie ook Kosmologie)

Q

R

S

Siderische periode
Omlooptijd of omwentelingstijd, gerekend ten opzichte van de sterren. De siderische omlooptijd van een planeet is de tijd die nodig is om, van de Zon uit gezien, na een omloop opnieuw dezelfde plaats ten opzichte van de sterren in te nemen.
Zie ook synodische periode.
Synodische periode
De gemiddelde tijdsduur die een planeet nodig heeft om, gezien vanaf de Aarde, wederom dezelfde positie ten opzichte van de Zon in te nemen.

T

U

V

W

X

Y

Z

Zeeman-effect
Door Pieter Zeeman in 1896 ontdekt verschijnsel waarbij zeer dicht bij elkaar liggende multipletlijnen in een spectrum op de plaats van één enkele lijn verschijnen als de atomen die het licht uitzenden aan een sterk magnetisch veld worden blootgesteld.
Zeeman-frequentie
De Zeeman-frequentie is gelijk aan het product van de sterkte van het magnetisch veld en de gyromagnetische verhouding van het atoom en dan gedeeld door 2p.

Versie 1.2.3 - © 2001 Peter van der Wijst.